WEL2 Sociale cohesie

Uit DGBC Wiki

Ga naar: navigatie, zoeken


WEL2 Sociale Cohesie

Categorie: Welzijn & Welvaart Maximum aantal punten: 3 Verplicht? Nee

Doel van de credit

Een sterke sociale infrastructuur draagt bij aan een hoger welzijnsniveau. Er naar streven dat iedereen mee kan doen in de samenleving: burgers, maatschappelijke organisatie en overheden.

Toepassing

Planfase Realisatiefase Beheerfase

Creditcriteria

Er kunnen maximaal 3 punten als volgt toegekend worden:

Punten Criterium
Waar de geleverde bewijsvoering aantoont dat er een analyse is gemaakt ten behoeve van het bevorderen van de sociale samenhang en leefbaarheid binnen de ontwikkeling (analyse).
Waar de geleverde bewijsvoering aantoont dat er een plan van aanpak en implementatieschema is gemaakt voor minimaal 3 trajecten ter bevordering van de sociale samenhang in en leefbaarheid binnen de ontwikkeling (implementatie).
Waar de geleverde bewijsvoering aantoont dat de effectiviteit van de trajecten positief is en dat er mogelijkheden zijn om nieuwe trajecten in te zetten of de lopende trajecten te optimaliseren (monitoring).

Criteria-eisen

Het volgende toont aan dat wordt voldaan:

Eerste punt:
1. Er een analyse en formulering van de mogelijkheden is gemaakt (visie), om invulling te geven aan het eerste prestatieveld van de WMO (het bevorderen van de sociale samenhang in en leefbaarheid van de ontwikkeling) door een deskundige en onafhankelijke instantie.

Tweede punt:
1. Het eerste punt is behaald.
2. Er een plan van aanpak en een implementatieschema is gemaakt door een deskundige en onafhankelijke instantie voor 3 trajecten ter bevordering van de sociale samenhang in en leefbaarheid van de ontwikkeling. Met voor ieder traject een verantwoordelijke uitvoerende partij welke rapporteert aan gebruikers en gemeente.

Derde punt:
1. Het eerste en het tweede punt zijn behaald.
2. Er een jaarlijkse rapportage wordt gemaakt van de effectiviteit van elk van de 3 trajecten en er gezocht wordt naar optimalisering. Ook moet er een wil zijn om nieuwe trajecten te starten als extra aanvulling of vervanging van de eerste 3 trajecten (minimaal zijn steeds 3 trajecten actief).

Aanvullingen op de criteria-eisen

Nadrukkelijk is deze credit bedoeld om aspecten die over het algemeen pas in de beheerfase aandacht krijgen nu mee te nemen in de ontwikkelfase, waardoor zij beter ingebed kunnen worden en er geen verlies in tijd ontstaat om partijen bij de welzijnsbeleving in de gebiedsontwikkeling te betrekken. (Er zijn contacten en lijntjes gelegd die gemakkelijk opgepakt kunnen worden bij problemen binnen de ontwikkeling).

Een duurzame aanpak betekent voor deze credit dat de ontwikkelende partijen pro-actief zijn en andere partijen meenemen. De ontwikkelaar initieert en start projecten/trajecten.

De WMO gaat over actief burgerschap en mantelzorg, over burgerinspraak in het sociaal beleid, over ontmoeting en gemeenschapszin en over de inrichting van leefbare wijken en dorpen. Met de uitvoering van de WMO zijn daarom naast organisaties in de thuiszorg, een waaier van verschillende organisaties betrokken zoals welzijnsinstellingen, woningcorporaties, verpleeghuizen, mantelzorgsteunpunten, vrijwilligersorganisaties, stichtingen welzijn ouderen en de collectieve verbanden van burgers zelf – zoals vrijwilligersorganisaties, cliëntenraden, religieuze organisaties, sportverenigingen en bewonersraden. Deze organisaties en verbanden bewegen zich op het brede speelveld van het lokaal sociaal beleid. Voorheen was de sociale infrastructuur vrijwel uitsluitend het domein van de klassieke zorg- en welzijnsorganisaties, maar inmiddels dienen zich ook andere spelers aan: de woningcorporaties, sportverenigingen, scholen vrijwilligersorganisaties, ontwikkelende partijen en zelfs het bedrijfsleven laat zich niet onbetuigd.

Rendement Het rendement van het investeren in gebiedsontwikkeling wordt in toenemende mate bepaald door de waarde van het onroerend goed, in combinatie met de ‘roerende goederen’, de gebruikers en de kwaliteit van hun onderlinge verhoudingen.

Benodigd Bewijsmateriaal

Planfase

Eerste punt
Eis 1

  • De analyse en visie door een deskundige en onafhankelijke instantie.

Tweede punt:
Eis 1

  • Bewijs dat aantoont dat het eerste punt behaald is.

Eis 2

  • Het plan van aanpak en implementatieschema, welke door een deskundige en onafhankelijke instantie is opgesteld.
  • Verklaring van de ontwikkelende partijen om uitvoering te geven aan het implementatieschema.

Derde punt:
Eis 1

  • Bewijs dat aantoont dat het eerste en tweede punt behaald zijn.

Eis 2

  • De jaarlijkse rapportage naar de effectiviteit van de trajecten.

Realisatiefase

Eerste punt
Eis 1

  • Gelijk aan de planfase, geactualiseerd naar de realisatiefase.

Tweede punt:
Eis 1

  • Bewijs dat aantoont dat het eerste punt behaald is.

Eis 2

  • Het plan van aanpak en implementatieschema, welke door een deskundige en onafhankelijke instantie is opgesteld.
  • Verklaring van de ontwikkelende partijen waarin een verantwoordelijke is aangewezen om uitvoering te geven aan het implementatieschema.

Derde punt:
Eis 1

  • Bewijs dat aantoont dat het eerste en tweede punt behaald zijn.

Eis 2

  • Gelijk aan de planfase, geactualiseerd naar de realisatiefase.

Beheerfase

Eerste punt
Eis 1

  • Gelijk aan de realisatiefase, geactualiseerd naar de beheerfase.

Tweede punt:
Eis 1

  • Bewijs dat aantoont dat het eerste punt behaald is.

Eis 2

  • Bewijs dat alle 3 de trajecten geformuleerd in het plan van aanpak en implementatieschema in uitvoering zijn.

Derde punt:
Eis 1

  • Bewijs dat aantoont dat het eerste en het tweede punt behaald zijn.

Eis 2

  • Jaarlijkse rapportage door een onafhankelijke instantie naar de effectiviteit van de trajecten inclusief:
  • Optimalisering maatregelen voor de trajecten, alsmede het implementeren daarvan en/of het
  • Vervangen dan wel aanvullen van de oude trajecten door nieuwe. (Er zijn altijd minimaal 3 trajecten/projecten actief.)

Definities

Sociale infrastructuur
De sociale infrasctuctuur kan worden omschreven als het geheel van organisaties, diensten, voorzieningen en betrekkingen die het mogelijk maken dat mensen in redelijkheid in sociale verbanden (buurten, groepen, gezinnen) samen kunnen leven en kunnen participeren in de samenleving (Engbersen en Sprinkhuizen 1998).
In de definitie wordt een onderscheid gemaakt in een formele en informele component. De formele component wordt gevormd door de organisaties die burgers professionele ondersteuning bieden. De informele component wordt gevormd door burgers die in collectieve verbanden of vrije associaties zelf bijdragen aan de sociale infrastructuur. Deze informele component van de sociale infrastructuur wordt ook wel geassocieerd met de civil society.

De volgende uitvoeringsorganisaties zijn bijvoorbeeld:

Zorg
  1. Organisaties op het gebied van thuiszorg
  2. Verpleeg- en verzorgingstehuizen
  3. Stichtingen Welzijn en Ouderen
  4. Mantelzorgsteunpunten
Welzijn
  1. bedrijfsleven, ontwikkelende partijen
  2. Welzijnsorganisaties
  3. Bibliotheken
  4. Wooncorporaties
  5. Vrijwilligerscentrales
Civil Society
  1. Organisaties op het terrein van Civiele Burgerorganisaties (vrijwilligersorganisaties, verenigingen, religieuze organisaties etc.)
  2. Burgervertegenwoordiging (wijk- en dorpsraden, cliëntraden, stuurgroepen, burgerplatforms etc.).

Aanvullende informatie

Er zijn diverse stichtingen en ondernemingen actief en beschikbaar om deze credit te begeleiden, zoals: Stimulansz-servicepunt welzijnsinformatie, Movisie, beleidsplan WMO, etc. De websites van deze bedrijven en instellingen zijn te vinden onder zoektermen als: WMO, prestatievelden WMO. De sites geven veel informatie en voorbeelden, zoals deze onder Movisie, Gemeente Breda en DECIDE:

Samenlevingsopbouw (Movisie) is een aspect van sociale cohesie. Samenlevingsopbouw vormt het beleid en de uitvoering die bijdragen aan een beter leefbare maatschappij. Samenlevingsopbouw versterkt de zelfwerkzaamheid en medeverantwoordelijkheid van burgers bij de invulling van hun woon- en leefomgeving. Verschillende partijen, variërend van opbouwwerker tot wijkagent en van corporatiemedewerker tot gemeenteambtenaar werken samen en richten zich met name op:

In de praktijk
Samenlevingsopbouw vindt plaats op verschillende niveaus. In de buurt of de wijk richt men zich meestal op de inrichting van de publieke ruimte, zoals speelgelegenheden of hangplekken, maar krijgt ook de relatie tussen wijkbewoners en het bestuur aandacht. Op een hogere schaal gaat het vaak om grootschaliger functies van het gebied, zoals ruimte om te recreëren en de balans tussen de bebouwde en onbebouwde ruimte.

Wijkontwikkeling (Movisie)
Wijkontwikkeling is een aandachtspunt voor de meest uiteenlopende wijken. In sommige gevallen staat het punt hoog op de gemeentelijke agenda omdat er een concentratie is van magere woningkwaliteit, Multi-probleemgezinnen, langdurig werklozen of verslaafden. Maar ook in nieuwe wijken en in wijken waar de problemen niet uitzonderlijk of urgent zijn, ligt de uitdaging om in een fatsoenlijke en veilige woonomgeving te voorzien.

Sociaal investeren:
Wijkontwikkeling is een complexe uitdaging. Duidelijk is, dat wijkontwikkeling niet kan volstaan met het stapelen van stenen, met sloop en nieuwbouw of met nieuwe stedenbouwkundige concepten waarin het voor bewoners goed toeven moet zijn. Het besef dat met investeringen in steen niet kan worden volstaan, dringt zich steeds meer op. Juist sociaal investeren maakt het verschil.

Betrokken ondernemen (Movisie)
Midden in de samenleving staan. Daar gaat Maatschappelijk Betrokken (MBO) Ondernemen over. Bedrijven die kiezen voor MBO, kijken niet vanaf de zijlijn toe. Zij investeren in specifieke doelgroepen of ze verbinden hun bedrijfsbelang aan een maatschappelijk belang.

WMO gemeente
Er is een grote gemeentelijke beleidsvrijheid om de prestatievelden die in de wet worden genoemd in te vullen. Gemeenten kunnen er dus voor kiezen om binnen het WMO-budget bepaalde accenten te leggen. Niettemin brengt de wet en aantal verplichtingen voor gemeenten met zich mee. Zo zijn gemeenten verplicht burgers te informeren, te adviseren en te ondersteunen (loket, cliënt ondersteuning) op het terrein van de WMO en kunnen burgers en gemeenteraad het lokaal bestuur aanspreken op resultaten. Ook wordt van de gemeente verlangd dat zij de regie voert op het terrein van wonen, zorg en welzijn. De gemeente dient daarnaast ook alle burgers te betrekken bij het beleid (Zowel in de voorbereiding als bij de implementatie). Dat geldt dus ook voor de moeilijk bereikbare groepen en individuen. Tot slot is de gemeente verantwoordelijk voor de invulling van lacunes: indien bijvoorbeeld onderdelen van het lokaal sociaal beleid niet door marktpartijen verzorgd kunnen worden, dient de gemeente zelf verantwoordelijkheid te nemen. Ondanks deze gemeentelijke verantwoordelijkheden neemt een duurzame ontwikkelaar het initiatief. Een gemeenschapsgevoel (sociale cohesie) op wijkniveau gaat om vertrouwdheid, om het ‘thuisgevoel’ in een wijk, om erkenning en herkenning. Met het creëren van een beheersbare omgeving, vanzelfsprekende ontmoetingsplaatsen in de openbare ruimte en duidelijke grenzen tussen publieke en private ruimten kan dit worden bevorderd.

Referenties

Koppeling met andere credits in dit Keurmerk

Alle W&W credits

Koppeling met andere keurmerken

Koppeling met BREEAM-NL Nieuwbouw:geen
Koppeling met BREEAM Bestaande bouw:geen

Persoonlijke instellingen
Naamruimten
Varianten
Handelingen
Navigatie
Direct naar
Creditsjablonen
Hulpmiddelen
Overig
Boek maken