Overleg:Mat 1 Bouwmaterialen

Uit DGBC Wiki

Ga naar: navigatie, zoeken

4e klankbordgroepvergadering

De klankbordgroep kon zich niet vinden in het onderstaande voorstel om hergebruik van materialen mee te nemen bij Mat1 en Mat 3 en 4 te laten vervallen. Ze willen de + en – punten van beide voorstellen op een rij gezet hebben (o.a. afstraffing renovatie versus waardering hergebruik, en natuurlijk de levensduur discussie). Te zijner tijd kan er dan aangesloten worden bij de aanpassingen in de NLse methode.

Daarnaast was er behoefte om naast de NLse methode ook gebruik te kunnen maken van de greenguide. Deze is gratis beschikbaar en laagdrempelig. Afgesproken is dat in de pilots de verschillende methoden naast elkaar getest zullen worden voordat een definitieve keus gemaakt wordt voor het voorschrijven van 1 of meerdere methodes.

Aangegeven werd dat er nu binnen de beoordelingsmethode geen aandacht is voor kwaliteitsverlies bij recycling (Cradle to Cradle gedachte en mogelijkheden voor upcycling). Afgesproken is dat genoemd punt in de toekomst als innovatiecredit kan worden meegenomen.


Voorstel voor opnemen hergebruik onder Mat1

René: Het hergebruik van materialen wordt nu op kwalitatieve wijze in de BREEAM-NL benadering meegenomen. Alleen voor een minimale hoeveelheid hergebruik van gevel en/of casco kan bij credit Mat3 en Mat4 een punt behaald worden. Om dubbeltelling van de waardering van hergebruik te voorkomen moeten alle hergebruikte materialen als zijnde nieuwe materialen in de LCA berekening voor Mat1 worden ingevuld.

Vanuit een volledig kwantitatieve benadering ligt het voor de hand om de hergebruikte materialen in Mat1 buiten beschouwing te laten (het niet nodig hebben van bepaalde materialen leidt dan automatisch tot lagere schaduwkosten (de eenheid waarin de milieubelasting van de materialen die nodig zijn voor het gebouw wordt uitgedrukt). Credit Mat3 en Mat4 zouden dan ook kunnen vervallen. Graag jullie mening hier over. De waardering van hergebruik wordt dan uitgebreid naar alle materialen, zij het dat de impact bij casco en gevel het grootste blijft.


[bewerken] Inbreng W/E adviseurs in overleg met DGMR

[bewerken] Herformulering credits 1, 2 en 6

Nederlandse situatie

In Nederland bestaat er brede consensus voor het gebruik van de LCA-benadering (life cycle assessment) voor het bepalen van de materiaalgerelateerde milieubelasting van gebouwen. Recent is er een harmonisatieproject afgerond, waarin onder andere de instrumenteigenaren, rijksoverheid en de bouwmaterialenindustrie hebben gewerkt aan een uniforme bepalingsmethode en materialendatabase. De methode is vastgelegd in de Handleiding Milieuprestatie Gebouwen [1], versie 1.1 en wordt mogelijk omgezet in een NTA of NPR. Het is logisch om bij BREEAM-NL deze handleiding als basis te gebruiken.


Voorstel voor credits 1, 2 en 6

Het voorstel is credit 1 te baseren op de Nederlandse bepalingsmethode. Groot voordeel is dat alle gebouwonderdelen op een vergelijkbare manier beoordeeld worden. Daarnaast biedt een oordeel op gebouwniveau het voordeel dat er tussen de gebouwonderdelen gecompenseerd kan worden. Omdat hiermee een oordeel over het totale gebouw wordt gegeven, dus inclusief de terreinverharding, privacyschermen en isolatie, kunnen de credits 2 en 6 vervallen. Een uitzondering is het deel bij credit 6 dat responsible sourcing betreft. Dit deel wordt meegenomen bij credit 5. De bij 2 en 6 (de helft) te verdienen credits kunnen aan credit 1 worden toegevoegd.


Eisen aan beoordeling

Aan de beoordeling van het gebouw worden de onderstaand eisen gesteld:

  1. beoordeling gebeurt volgens de meest recente versie van de Handleiding Milieuprestatie Gebouwen (nu: versie 1.1)
  2. bij de beoordeling wordt gebruik gemaakt van de meest recente versie van de materialendatabase (in de toekomst komt er ook een geharmoniseerde productendatabase)
  3. alle gebouwonderdelen worden meegenomen, dus zowel ruwbouw, afbouw, (buiten)inrichting als installaties
  4. hiertoe behoort ook de buiteninrichting binnen de perceelgrens, zoals bergingen, terreinverharding, en eventuele toegangswegen; de tegenhanger van parkeren op eigen terrein, namelijk de parkeerkelder moet ook meegenomen worden (de winst van de kelder in de vorm van ruimtebesparing wordt bij Ecologie in de vorm van meervoudig ruimtegebruik geboekt)
  5. het detailniveau betreft het definitief ontwerp (DO) of hoger (bewijsstukken zijn het bouwkundig en installatietechnisch bestek, inclusief tekeningen).


Uitwerking

Het resultaat van een doorrekening met de bepalingsmethode is een milieuprofiel dat uit de onderstaande 9 effecten bestaat:

  1. uitputting
  2. broeikaseffect
  3. ozonlaagaantasting
  4. smog
  5. humane toxiciteit
  6. ecotoxiciteit, water
  7. ecotoxiciteit, terristisch
  8. verzuring
  9. vermesting


Ten behoeve van de vergelijkbaarheid worden de milieueffectscores gedeeld door het gebruiksoppervlakte van het gebouw. Daarna worden de effecten door middel van een gewogen sommering geaggregeerd tot één indicator. De weegfactoren en weegmethode (schaduwprijzen) zijn in de Handleiding Milieuprestatie Gebouwen vastgelegd. De relatie tussen de indicator en het aantal credits moet nog uitgewerkt worden. De basis is: hoe lager de indicatorscore, hoe meer credits. Bij een indicator gelijk of groter dan die van een referentiegebouw (standaard materialisatie) is het aantal credits 0.


Uitvoerbaarheid

Een LCA-berekening van een geheel gebouw, die voldoet aan de bovenstaande eisen is, vraagt veel inspanning. Er zijn in Nederland een aantal hulpmiddelen, zoals GPR Gebouw, Greencalc en EcoQuantum, beschikbaar om een dergelijke LCA eenvoudiger uit te kunnen voeren. De 9 milieu-effecten en/of de indicatorscore zijn direct uit de instrumenten over te nemen. Bij de net opgeleverde GPR Gebouw, versie 4.0 zijn de resultaten van het harmonisatieproject al doorgevoerd. Voor Greencalc is de aanpassing op het harmanisatietraject voorzien, maar het is nog onduidelijk wanneer precies de aanpassingen in het instrument worden opgenomen.

Concreet heeft dit momenteel als consequentie dat (voorlopig) alleen door gebruik te maken van GPR gebouw v4 invulling gegeven kan worden aan de credit zoals deze hierboven is ingestoken.


Commentaar ATO

De teksten van het hoofdstuk materialen zijn nog weinig meetbaar. Ik zie de volgende aspecten: 1. duurzame materialen a. hoeveel kg. materiaal wordt er per m2 gebouw gebruikt. Bubbledeck vloeren en slan-ke staalconstructies zijn toch nog altijd beter dan veel beton met puingranulaat erin. Hoe minder hoe duurzamer. b. wat is de kwaliteit van de materialen in het kader van duurzaamheid. Ik heb begrepen dat LCA analyses hiervoor een goede basis zijn. Hoe discutabel zijn de materialen uit deze lijsten voor marktpartijen? c. Dit zowel op Casco als op inbouwpakket toepassen. Houd de eindsituatie, het gebruik voor ogen. d. Veel credits voor dit onderdeel lijkt me e.

3. onderhoudbaarheid. a. Wat is de onderhoudsfrequentie van de verschillende toegepaste onderdelen? Of zit dit in de LCA analyses? Wellicht zijn onderhoudsvrije aluminium kozijnen wel duur-zamer dan kozijnen uit FSC hout die elke 5 jaar moeten worden geschilderd. Zie ook MAN 12. In praktijk is dit niet eenvoudig. b. Hoe zijn de te onderhouden onderdelen bereikbaar gehouden? c. Aanrijdbescherming en toepassen van de juiste materialen is wel heel mager als eis hier. Hoe meet je het en elk goed ontwerp heeft dit. Valt dit onder robuust ontwerp? 4. duurzame materialen en 5. isolatie van schapewol is duurzamer dan steenwol is duurzamer dan glaswol. Kunnen dit soort subeisen niet gewoon onder de LCA analyses worden behandeld 6. Robuust ontwerp a. M.I. vallen aanrijdbescherminghier onder. Eigenlijk dienen materialen afgestemd te zijn op aard en functie van gebouw en ruimte. Maar goed toon maar eens aan dat het zo is gemaakt of dat dat niet zo is. Is metall stud een duurzame oplossing in zieken-huizen? Wordt wel vaak toegepast in NL. b. Een andere definitie van robuust ontwerp is: een ontwerp dat tegen veranderingen in gebruik kan: dus flexibiliteit. Hier komt overmaat in installaties, uniforme modulaire opzet van ruimtes. Je kunt tenslotte wel een materialen toepassen met een levens-duur van 100 jaar, maar er is geen gebouw dat 100 jaar dezelfde gebruiker heeft. Waarom gaan sommige gebouwen veel langer mee dan anderen? i. Lokatie helemaal goed ii. Gebouwstructuur / constructie biedt ruimte voor aanpassingen inwendig en is niet te diep. iii. Hoge kwaliteit gevel en hoge kwaliteit installaties, in ieder geval ruimte om installaties te vergroten


Advisory group opmerkingen

Green guide to specification

In het algemeen , het systeem is fundamenteel anders dan we in Nederland hebben. We gaan in Nederland al veel verder. In Nederland kunnen we naar de materiaalgebonden milieuprestatie op gebouwniveau. (Engelse systeem is te veel het tellen van maatregelen). (engelse rekenmethode is wel gebasseerd op de Nederlandse LCA rekenmethode.) Je zou dus de credit moeten toekennen op een score die je in een of meerdere tools kan scoren. (bijvoorkeur voor de Nederlandse aanpak).

Wel een check laten uitvoeren met het verschil tussen Nederlandse systeem en de engelse Greenguide dat het tot vergelijkbare ideeen komt.

Nederlandse tools zijn mogelijk product voor export.

Je wil toch ook tegen een architect kunnen zeggen: die materialen wel en die materialen dus vooral niet.

Europa komt met een ecolabel, op product niveau (kan naast de milieuprestatie op gebouwniveau bekeken worden).

BRE comments

Refer to suggested approach in BREEAM Europe 2008. With regards to residential projects different requirements may be more appropriate. Refer to Code for Sustainable Homes (Mat 1) for further information.


Hoofdpagina

Materialen

[bewerken] Eis niet zeer zwaar? (02-02-2009)

NIBE heeft een gebouw, met de (tot nu toe) hoogst behaalde GreenCalc+ index voor Materiaal (225), beoordeeld aan de hand van de gestelde criteria.

Uitkomsten uit GreenCalc+ met een levensduur van 50 jaar:

Totale schaduwkosten € 561,03

Totaal vloeroppervlak in m²BVO 932 m²BVO

Schaduwkosten per m²BVO € 0,60 / m²BVO

Aantal behaalde Credits 2


Wij verwachten niet dat er de komende tijd meer credits behaald worden (beoordeelde gebouw is volledig van hout). De huidige stand van de bouw heeft schaduwkosten die bijna 2x zo hoog zijn als de schaduwkosten van dit gebouw.

Hieruit constateren wij dat de basis van 0,80 euro per m2 niet realistisch is en dat de credits door de huidige markt niet behaald gaan worden. Hetgeen zeer demotiverend werkt.

VRAAG DGBC aan NIBE: hebben jullie een realistischer voorstel voor de indeling? Hoeveel punten zou ditzelfde gebouw in de BREEAM UK versie halen (wanneer er met de greenguide wordt gerekend? Er is over deze credit afgsproken dat het aantal te behalen punten voor deze credit in de pilots getoetst gaat worden. (aanvulling S. Verweij, DGBC, 02-02-2009)

[bewerken] Brandveiligheid van duurzame materialen (02-02-2009)

Interessante achtergrond informatie:

Artikel over brandveiligheid van duurzame materialen: brand en brandweer, nummer 1, januari 2009

Schrijver artikel: Marco van Leest, Genoemde specialisten: Rudolf van Mierlo, coordinator Brandveiligheid TNO, Marina van der zee, Stichting Hout Research.

[bewerken] Reactie Bouwen met staal (17 juni 2009)

Op dit moment worden de pilots ook doorgerekend met de Greenguide to specification. Zou het een idee zijn om de Greenguide toe te staan zolang het harmonisatie traject van de Nederlandse softwarepakketten loopt ? Die paketten geven immers nog niet dezelfde uitkomsten.

Persoonlijke instellingen
Naamruimten
Varianten
Handelingen
Navigatie
Direct naar
Creditsjablonen
Hulpmiddelen
Overig
Boek maken