KLI5 Bodemgesteldheid en bodemkwaliteit

Uit DGBC Wiki

Ga naar: navigatie, zoeken


KLI5 Bodemgesteldheid en bodemkwaliteit

Categorie: Gebiedsklimaat Maximum aantal punten: 4 Verplicht? Nee

Doel van de credit

Het stimuleren van het optimale gebruik van de bodemgesteldheid in het gebied, het stimuleren van behoud van de bodemstructuur en het nastreven van optimale bodemkwaliteit in het gebied.

Toepassing

Planfase Realisatiefase Beheerfase

Creditcriteria

Er kunnen maximaal 4 punten als volgt toegekend worden:

Punten Criterium
Waar de geleverde bewijsvoering aantoont dat bij de gebiedsinrichting ten minste 50% van het grondgebruik afgestemd is op de potenties van de fysieke bodemgesteldheid (bodemstructuur en geohydrologie):. (functie afstemmen op bodemgesteldheid).
Waar de geleverde bewijsvoering aantoont dat bij het bouwrijp maken en bij ondergrondse interventies (funderingspalen, kelders, pijpen voor WKO e.d.) de bodem zo min mogelijk onherstelbaar wordt verstoord (behoud van bodemstructuur).
Waar de geleverde bewijsvoering aantoont dat de bodemkwaliteit verbeterd wordt. (verbeteren bestaande bodemkwaliteit).

Criteria-eisen

Het volgende toont aan dat wordt voldaan:

Eerste punt (functie afstemmen op bodemgesteldheid):

  1. Voor de gebiedsinrichting is ten minste 50% van het te realiseren grondgebruik afgestemd op de bodemgesteldheid. De verschillende gebruiksfuncties zijn afgestemd op de potenties van de fysieke bodemgesteldheid (bodemstructuur en geohydrologie):
    • Zwaardere bouw en hoogbouw op hoger gelegen zandgronden.
    • Gemiddelde bebouwing op kleigronden.
    • Lichte extensieve (houtskelet-)bouw op veengronden.
    • Natte gebieden bebouwing op een drijvende fundering.
    • Water in laaggelegen gebieden en/ of in natte gebieden
    • Natuur/groen op slechter dragende grond.

Deze eis geldt voor bebouwing inclusief infrastructuur, groene natuur, waterpartijen (zoals blauwe natuur, waterberging, waterlopen) en landbouwgrond.

  1. Tel voor de berekening de totale vierkante meters in het platte vlak (ook footprint genoemd) op per gebruikersfunctie (bijvoorbeeld een gebouw, water of natuur) en stel hiervan het percentage vast dat is afgestemd op de bodemgesteldheid.

Tweede punt (behoud van bodemstructuur):

Het gaat hier om het behoud van de ecologische contactzône, grondwaterstromingen, bodemlagen met schoon water en het doorboren/doorsnijden van (beschermende) afsluitende lagen.

  1. De wijze van bouwrijp maken, funderen en ondergronds bouwen is vastgelegd.
  2. De grond wordt plaatselijk opgehoogd met gebiedseigen grond of lokale/ regionale grond met vergelijkbare structuur van de grond zoals aangetroffen voor de gebiedsontwikkeling.
  3. Bij het construeren van funderingen, kelders en/of WKO-systemen worden geen ondergrondse afsluitende lagen geperforeerd.
  4. Bij het construeren van funderingen, kelders en/of WKO-systemen wordt de lokale grondwaterstroming niet nadelig beïnvloed (voorkomen van bijvoorbeeld brakke/zoute kwel, onderlopen van bestaande kelders, droogvallen van houten paalfunderingen e.d.).

OF

Indien bij het bouwrijp maken, funderen en ondergronds bouwen niet wordt opgehoogd of niet dieper dan 1,5 meter beneden maaiveld wordt gebouwd kan dit punt automatisch worden toegekend.

Derde en vierde punt (verbeteren bodemkwaliteit):

  1. De kwaliteit van de bestaande en de toegevoegde grond is aan de hand van bodemmonsters aangetoond. Hieronder valt ook het inventariseren van ‘gevallen van ernstige bodemverontreiniging’ binnen plangebied en saneringsonderzoek(en) die aantonen of sanering noodzakelijk is en waarbij is aangegeven hoe de saneringsmaatregelen genomen dienen te worden en die aantonen dat de aanwezige verontreiniging grotendeels of geheel is/ wordt verwijderd.
  2. De toegevoegde grond voor grondophogingen is van betere kwaliteit dan de aanwezige grond.

Aanvullingen op de criteria-eisen

Benodigd Bewijsmateriaal

Planfase

Eerste punt (functie afstemmen op bodemkwaliteit):

Eis 1 en 2

  • Een overzicht van de totale oppervlakte (platte vlak) van het te realiseren grondgebruik , uitgedrukt in vierkante meters. Aangevuld met een berekening waaruit blijkt dat minimaal 50% van het te realiseren grondgebruik in het gebied is afgestemd op de fysieke bodemgesteldheid.

Tweede punt (behoud van bodemstructuur):

Eis 1

  • Plan en tekeningen waar het bouwrijp maken van de grond en de wijze waarop bouwrijp gemaakt gaat worden zijn aangegeven.

Eis 2

  • Document waarin aangetoond wordt dat er geen grond wordt toegevoegd of dat de toe te voegen grond dezelfde bodemstructuur heeft als de aanwezige grond zoals aangetroffen voor de gebiedsontwikkeling en dat deze grond gebiedseigen of lokaal/regionaal van oorsprong is.

Eis 3 en 4

Indien er meer dan 1,5m wordt afgegraven wordt aangetoond dat:

  • geen ondergrondse afsluitende lagen geperforeerd worden.
  • de grondwaterstroming niet nadelig wordt beïnvloed.

OF:

  • Document waarin is aangetoond dat de grond niet meer dan 1,5m wordt afgegraven

Enkele voorbeelden van bewijsvoering zijn:

  • Rapport grondmechanisch onderzoek en funderingsadviezen.
  • Plan kelderconstructie(s).
  • Advies WKO.

Derde en vierde punt (verbeteren bodemkwaliteit):

Eis 1 en 2

  • Document waarin de kwaliteit van de aanwezige grond wordt aangetoond door middel van bemonstering en dat de kwaliteit van de toegevoegde grond van betere kwaliteit is dan de aanwezige grond. Bovendien een document waarin aangegeven wordt dat er is geïnventariseerd is of er ‘gevallen van ernstige bodemverontreiniging’ binnen plangebied zijn aangevuld met saneringsonderzoek(en) die aantonen of sanering noodzakelijk is en waarbij is aangegeven hoe de saneringsmaatregelen genomen dienen te worden en die aantonen dat de aanwezige verontreiniging grotendeels of geheel is/ wordt verwijderd.

Realisatiefase

Eerste punt (functie afstemmen op bodemkwaliteit):

Eis 1 en 2

  • Een overzicht van de totale oppervlakte (platte vlak) van het te realiseren grondgebruik , uitgedrukt in vierkante meters. Aangevuld met een berekening waaruit blijkt dat minimaal 50% van het te realiseren grondgebruik in het gebied is afgestemd op de fysieke bodemgesteldheid.

Tweede punt (behoud van bodemstructuur):

Eis 1

  • Foto’s, plan en tekeningen waar het bouwrijp maken van de grond en de wijze waarop bouwrijp gemaakt wordt zijn aangegeven.

Eis 2

  • Document waarin aangetoond wordt dat er geen grond wordt toegevoegd of dat de toe te voegen grond dezelfde bodemstructuur heeft als de aanwezige grond zoals aangetroffen voor de gebiedsontwikkeling en dat deze grond gebiedseigen of lokaal/regionaal van oorsprong is.

Eis 3 en 4

Indien er meer dan 1,5m wordt afgegraven wordt aangetoond dat:

  • geen ondergrondse afsluitende lagen geperforeerd worden.
  • de grondwaterstroming niet nadelig wordt beïnvloed.

OF:

  • Document waarin is aangetoond dat de grond niet meer dan 1,5m wordt afgegraven.

Enkele voorbeelden van bewijsvoering zijn:

  • Rapport grondmechanisch onderzoek en funderingsadviezen.
  • Plan kelderconstructie(s).
  • Advies WKO.

Derde en vierde punt (verbeteren bodemkwaliteit):

Eis 1 en 2

  • Document (voorzien van foto’s van de feitelijke situatie) waarin de kwaliteit van de grond zoals aangetroffen voor de gebiedsontwikkeling wordt aangetoond door middel van eerdere bemonstering en dat de kwaliteit van de toegevoegde grond van betere kwaliteit is dan de aangetroffen grond. Bovendien een document waarin aangegeven wordt dat er is geïnventariseerd is of er ‘gevallen van ernstige bodemverontreiniging’ binnen plangebied zijn aangevuld met saneringsonderzoek(en) die aantonen of sanering noodzakelijk is en waarbij is aangegeven hoe de saneringsmaatregelen genomen dienen te worden en die aantonen dat de aanwezige verontreiniging grotendeels of geheel is/ wordt verwijderd.

Beheerfase

Eerste punt (functie afstemmen op bodemkwaliteit):

Eis 1 en 2

  • Een overzicht van de totale oppervlakte (platte vlak) van het gerealiseerde grondgebruik , uitgedrukt in vierkante meters. Aangevuld met een berekening waaruit blijkt dat minimaal 50% van het te realiseren grondgebruik in het gebied is afgestemd op de fysieke bodemgesteldheid.

Tweede punt (behoud van bodemstructuur):

Eis 1

  • Foto’s, plan en tekeningen waar de tijdens de realisatiefase bouwrijp gemaakte grond is aangegeven en de wijze waarop bouwrijp is gemaakt.

Eis 2

  • Document waarin aangetoond wordt dat er geen grond is toegevoegd of dat de toegevoegde grond dezelfde bodemstructuur heeft als de aanwezige grond zoals aangetroffen voor de gebiedsontwikkeling en dat deze grond gebiedseigen of lokaal/regionaal van oorsprong is.

Eis 3 en 4

Indien er meer dan 1,5m wordt afgegraven wordt aangetoond dat:

  • geen ondergrondse afsluitende lagen geperforeerd zijn.
  • de grondwaterstroming niet nadelig is beïnvloed.

OF:

  • Document waarin is aangetoond dat de grond niet meer dan 1,5m is afgegraven

Derde en vierde punt (verbeteren bodemkwaliteit):

Eis 1 en 2

  • Document (voorzien van foto’s van de feitelijke situatie) waarin de kwaliteit van de grond zoals aangetroffen voor de gebiedsontwikkeling wordt aangetoond door middel van eerdere bemonstering en dat de kwaliteit van de toegevoegde grond van betere kwaliteit is dan de aangetroffen grond. Bovendien een document waarin aangegeven wordt dat er is geïnventariseerd is of er ‘gevallen van ernstige bodemverontreiniging’ binnen plangebied zijn aangevuld met saneringsonderzoek(en) die aantonen of sanering noodzakelijk was en waarbij is aangegeven hoe de saneringsmaatregelen genomen zijn en die aantonen dat de aanwezige verontreiniging grotendeels of geheel is verwijderd.

Definities

Afsluitende laag
Bodemlaag met een lage waterdoorlatendheid (klei, veen, slibhoudend fijn zand, leem, löss), die een bovenliggende of onderliggende watervoerende laag (grof zand, grind, kalk) afsluit voor verticaal grondwatertransport.
Bodem
Het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen. Dat betekent bijvoorbeeld dat het grondwater tot de bodem behoort, evenals ‘de ondergrond’.
Bodemgesteldheid
Fysieke hoedanigheid van de bodem: bodemstructuur, gelaagdheid en geohydrologie.
Bodemkwaliteit
Ecologische diversiteit en chemische samenstelling van de bodem.
Duurzame bodemsanering
In het saneringsonderzoek is bij de keuze van het saneringsdoel en de toe te passen saneringstechniek(en) aantoonbaar rekening gehouden met het ruimtebeslag, waterverbruik, materiaalverbruik, energieverbruik, luchtemissies, wateremissies en veiligheid en gezondheid van uitvoerend personeel, zowel op de saneringslocatie als op de verwerkingslocatie(s).
Ecologische contactzône
Het deel van de bodem waarmee bij een normaal terreingebruik mensen, dieren en planten in contact kunnen komen (meestal de bovenste 1,5 meter van de bodem).
Functiegericht saneren
Methode van bodemsanering, waarbij immobiele bodemverontreiniging aan de bovenzijde wordt afgedekt met een schone leeflaag of duurzame bovenafdichting.
Gebiedseigen grond
Grond, die is vrijgekomen bij grondverzet binnen het plangebied.
Geval van ernstige bodemverontreiniging
Definitie uit de Wet bodembescherming, Wbb). Aaneengesloten grondgebied, waarin door toedoen van menselijke activiteiten de kwaliteit van de bodem zodanig is verslechterd, dat één of meer gebruiksfuncties van de bodem verloren is of verloren dreigt te gaan. Er wordt onderscheid gemaakt tussen ‘spoedeisende gevallen’ (waar de verontreiniging actuele risico’s voor de volksgezondheid, het ecosysteem of de grondwaterkwaliteit oplevert) en ‘niet spoedeisende gevallen’. Spoedeisende gevallen moeten binnen vier jaar worden aangepakt. Niet spoedeisende gevallen moeten ‘op enig moment’ worden gesaneerd, in de praktijk bij samenloopsituaties met (her)ontwikkeling.
IBC-sanering
Methode van bodemsanering, waarbij bodemverontreiniging wordt geïsoleerd, beheerst en gecontroleerd. In de praktijk wordt deze methode enkel nog toegepast bij grootschalige gevallen met mobiele bodemverontreiniging, waar het verwijderen van de verontreiniging extreem kostbaar zou zijn, bijvoorbeeld bij voormalige stortplaatsen of uitgestrekte verontreinigde industriegebieden.
Kosteneffectief saneren
Methode van bodemsanering, waarbij mobiele verontreiniging uit de bodem wordt verwijderd en een optimum wordt gezocht tussen vrachtverwijdering, kosten en restrisico’s. Volgens de Wbb moet tenminste de verontreinigingsbron worden verwijderd. Voor wat betreft de ‘verontreinigingspluim’ moet binnen 30 jaar een ‘stabiele eindsituatie’ worden gecreëerd, waarbij achtergelaten verontreiniging zich niet verder verspreidt en geen gebruiksbeperkingen of risico’s oplevert.
Multifunctioneel saneren
Methode van saneren, waarbij alle verontreiniging uit de bodem wordt verwijderd en alle (potentiële) gebruiksfuncties van de bodem worden hersteld.

Aanvullende informatie

Wettelijke basis

Er bestaat vele wetten en regelingen om de bodem te beschermen of te verbeteren.

  • Wet op de Ruimtelijke Ordening, bouwverordeningen;
  • Voedsel- en warenwet, mestregelgeving;
  • Waterwet, Mijnwet, Ontgrondingenwet, Waterleidingwet;
  • Natuurbeschermingswet;
  • Verdrag van Malta.

Algemeen: Wet bodembescherming, Afvalstoffenwet, Stortbesluit, Besluit bodemkwaliteit.

Onderscheid tussen bodemgesteldheid en bodemkwaliteit
Onder bodemgesteldheid wordt hier begrepen de fysieke toestand van de bodem, bestaande uit de natuurlijke gelaagdheid van verschillende sedimenten (en gesteenten) en de hierin optredende transportprocessen van grondwater en bodemgassen. Onder bodemkwaliteit wordt hier verstaan de ecologische en chemische bodemsamenstelling, dat wil zeggen de diversiteit aan bodemorganismen, de aan/afwezigheid van nutriënten en de aan/afwezigheid van verontreinigingen.

Voor wat de bodemgesteldheid betreft concentreren gebiedsontwikkelaars zich veelal op vragen als:

  • Wat is de draagkracht van de bodem, hoe moet het gebied bouwrijp worden gemaakt, hoe moeten gebouwen worden gefundeerd?
  • Kan bij noodzakelijke ophogingen gebruik worden gemaakt van grond uit het plangebied?
  • Wat is de grondwaterspiegel? Kan er ondergronds worden gebouwd en welke maatregelen zijn daarvoor nodig?
  • Zijn er mogelijkheden voor de aanleg van Warmte Koude Opslag (WKO)- of geothermie-systemen?

Voor wat de bodemkwaliteit betreft zijn vragen van belang als:

  • Komen er in het plangebied locaties met ernstige bodemverontreiniging voor?
  • Welke locaties moeten bij de voorziene ontwikkeling worden gesaneerd?
  • Welke saneringsdoelen en –technieken zijn daarbij van toepassing?
  • Is de algemene bodemkwaliteit geschikt voor de beoogde gebruiksfuncties?
  • Kan grond die in het plangebied vrijkomt elders in het plangebied nuttig worden hergebruikt?

Bovenwettelijk presteren

Zoals vermeld bestaat er uitvoerige wet- en regelgeving om de verschillende bodemfuncties te beschermen en verbeteren. De bedoeling van het ‘Keurmerk Duurzame Gebiedsontwikkeling’ is om gebiedsontwikkelaars te stimuleren om op een duurzame wijze bovenwettelijk te presteren.

Voor het aspect bodemgesteldheid is wettelijk vastgelegd, dat gebouwen op een dusdanige wijze moeten worden geconstrueerd, dat ze stabiel in en op de ondergrond staan verankerd. In principe mag elke wijze van bouwrijp maken en funderen overal worden toegepast, mits de stabiliteit van de bebouwing is gegarandeerd. In de praktijk worden daarbij om uiteenlopende redenen soms minder duurzame oplossingen gekozen. In woonwijken in laaggelegen veengebieden wordt bijvoorbeeld het gebied bouwrijp gemaakt door ophoging met zand en door verlaging van de grondwaterstand. De ondergrond klinkt daardoor in, waardoor de grondwaterspiegel verder moet worden verlaagd of het gebied opnieuw moet worden opgehoogd. Of bij een binnenstedelijke ontwikkeling wordt bijvoorbeeld een diepe parkeerkelder met vier lagen aangelegd. Bovenstrooms stuwt het grondwater op, waardoor kelders onderlopen. Benedenstrooms treedt een daling van de grondwaterstand op, waardoor houten paalfunderingen droog komen te liggen en aangetast worden.

In deze credit worden gebiedsontwikkelaars gestimuleerd om gegevens over de aanwezige bodemgesteldheid te inventariseren en bij de ontwikkeling oplossingen te bedenken, die zoveel mogelijk aansluiten bij de bestaande bodemstructuur en geohydrologie.

Voor het aspect bodemkwaliteit is wettelijk vastgelegd, dat ‘gevallen van ernstige bodemverontreiniging, waarvan sanering spoedeisend is’ binnen vier jaar worden aangepakt. Verder is bepaald, dat niet zonder meer op verontreinigde bodems mag worden gebouwd. Ten slotte bestaat er regelgeving voor het hergebruik van overtollige grond die bij grondverzet vrijkomt.

In veel te ontwikkelen gebieden zal in het algemeen sprake zijn van een schone bodem, of van een bodem met enige ‘gebiedseigen’ diffuse achtergrondbelasting. Verder kunnen één of meer ‘gevallen van ernstige bodemverontreiniging’ aanwezig zijn, waarvan sanering al dan niet ‘spoedeisend’ is. Voor wat betreft de algemene bodemkwaliteit is het in de praktijk extreem kostbaar om bovenwettelijk te presteren. Indien sprake is van een lichte achtergrondbelasting en het is wettelijk toegestaan om daarop te bouwen, dan zal geen enkele ontwikkelaar overwegen om in het gehele gebied de licht verontreinigde bovengrond af te graven en te vervangen door schone grond. Men kan zich ook afvragen of dit een duurzame ingreep zou zijn. In deze credit blijven het bouwen op licht verontreinigde grond en het hergebruik van secundaire grondstromen daarom buiten beschouwing.

Voor wat betreft de aanpak van ‘gevallen van ernstige bodemverontreiniging’ wordt wel ruimte gezien om ontwikkelaars te stimuleren op duurzame wijze bovenwettelijk te presteren. Wettelijk bezien bestaat er bij gebiedsontwikkeling ruimte om zodanig met functies te schuiven, dat ernstig verontreinigde terreinen niet worden bebouwd. Voor zover het ‘niet spoedeisende’ locaties betreft worden dan saneringskosten vermeden, maar worden bodemproblemen op de toekomst afgewenteld. In deze credit wordt daarom gestimuleerd, dat binnen het plangebied niet enkel de spoedeisende en/of de te bebouwen bodemverontreinigingslocaties worden aangepakt, maar dat alle ‘gevallen’ worden geïnventariseerd en aangepakt.

Beschermen of verbeteren?

Bij een duurzame ontwikkeling verdient een bronaanpak de voorkeur boven effectbestrijding, en effectbestrijding gaat boven adaptatie.

Voor wat het aspect bodemkwaliteit betreft wordt gestimuleerd dat bij de ontwikkeling van het gebied de bestaande bodemstructuur en geohydrologie niet zodanig worden verstoord, dat daarvan schadelijke effecten zijn te verwachten. Ook wordt gestimuleerd bij het verdelen van de gebruiksfuncties of bij het ontwikkelen van gebouwtypologieën aan te sluiten op de bestaande bodemstructuur en geohydrologie.

Voor wat het aspect bodemkwaliteit betreft wordt gestimuleerd dat bij de ontwikkeling van het gebied alle ‘gevallen van ernstige bodemverontreiniging’ zijn geïnventariseerd en al deze gevallen daadwerkelijk worden aangepakt. Daarbij is het voldoende, indien er ‘functiegericht’ wordt gesaneerd of in voorkomende gevallen een IBC-sanering wordt uitgevoerd.

Bewijsmateriaal

Voor het te overleggen bewijsmateriaal is aangesloten bij documenten die veelal standaard in de planvormingsfase en de realisatiefase beschikbaar komen. Bij het tweede punt worden analyses gevraagd, waarbij de gebruiksfuncties of gebouwtypologieën zoveel mogelijk op de bestaande bodemstructuur en geohydrologie worden aangepast. Deze analyses worden in de huidige praktijk vaak niet gemaakt en vormen daarmee een extra aandachtspunt. Omdat het kwalitatieve analyses betreft, wordt verwacht dat ze in tijd en geld weinig extra inspanning zullen vereisen.

Plangrenzen en systeemgrenzen

Systeemgrens: bij deze credit wordt als systeemgrens gehanteerd de maximale omvang van het gebied rondom het plangebied waarin/uit:

  1. Grond wordt betrokken voor het bouwrijp maken.
  2. Grondwaterstromingen of grondwaterkwaliteit worden beïnvloed door ondergrondse constructies of structuren.
  3. Grondwaterkwaliteit wordt beïnvloed door ‘gevallen van bodemverontreiniging’ binnen/buiten het plangebied.

Referenties

Koppeling met andere credits in dit Keurmerk

  • BRO2: Opwekken Duurzame Energie;
  • BRO4: Watergebruik;
  • BRO8: Voedsel;
  • RO3: Cultureel Erfgoed;
  • RO4: Abiotische Structuren;
  • RO7: Ondergrondse Infrastructuur;
  • KLI4: Waterkwaliteit.

Koppeling met andere keurmerken

Koppeling met BREEAM-NL Nieuwbouw:

  • LE1: Hergebruik van Land.
  • LE2: Verontreinigde bodem.
  • LE9: Efficiënt Grondgebruik.

Koppeling met BREEAM Bestaande Bouw en Gebruik:

  • Management 01004B, 01004G en 01011G
  • Vervuiling 07022B, 07024G, 07025G1 BLG4POL-KAN, 07026G1 en 07026G2
  • Landgebruik en Ecologie 09001A, 09004B 09005B, 09006B en 09007A.


Persoonlijke instellingen
Naamruimten
Varianten
Handelingen
Navigatie
Direct naar
Creditsjablonen
Hulpmiddelen
Overig
Boek maken